Canine Herpes Virus

 

Ook wel bekend als CHV-1. Een virus dat grote sterfte onder pups kan veroorzaken, vooral in de leeftijd van 1 tot 3 weken. Pups ouder dan 5 weken en volwassen honden ondervinden geen problemen van een herpesinfectie.

Besmetting met het herpesvirus kan plaats vinden tijdens de dekking: de reu brengt het over op de teef of andersom. Het virus kan ook in het sperma zitten van de reu. In geval van K.I. is het dus zaak met ontsmette instrumenten te werken om overdracht van het virus uit besmet sperma te voorkomen.

Het virus wordt in de baarmoeder, via de placenta, overgebracht op de pups. Het maakt echter dan minder kans om schade aan te richten, omdat het virus het liefst groeit bij een lagere lichaamstemperatuur van de teef. Aan het einde van de zwangerschap, als de teef haar lichaamstemperatuur daalt wordt de kans op infectie van de pups groter. De grootste kans op infectie is op het moment dat de pups geboren worden. Zij worden dan besmet via het slijmvlies in de vagina van de teef. Kort na de geboorte kan een pup ook besmet raken, door het likken van de teef of door inademing van het virus. Vervolgens kan het virus zich dan makkelijk verspreiden van pup naar pup.

Bij een besmetting van het herpesvirus zien we vaak kleine blaasjes of zweertjes op de slijmvliezen van keel, neus of geslachtsorganen. Deze verdwijnen weer vrij snel; net als een koortslip bij de mens (ook een herpesvirus).

De vervelende eigenschap van het herpesvirus is dat het na infectie niet verdwijnt. Na de eerste infectie trekt het zich terug in bepaalde zenuwknopen, onder ander naast het ruggenmerg. De meeste volwassen honden hebben te maken gehad met het herpesvirus en zijn daarna blijvend besmet, echter zonder dat ze ziek worden; zij worden daarom symptoomloze dragers genoemd.

Het herpesvirus kan binnen enkele dagen n pup, een aantal pups of zelfs een heel nestje uitmoorden.

Omdat het virus zich het prettigst voelt bij een lagere lichaamstemperatuur van zijn "slachtoffer" zijn de verschijnselen bij pas geboren pups het ergst.

We zien dan dat de pups sloom worden, ze willen niet meer drinken en piepen heel erg. Hun ontlasting wordt geel-groen van kleur. De lever zwelt op waardoor vloeistof zich ophoopt in borstholte, buikholte en onderhuids. Door vloeistofophoping in de longen krijgen de pups het benauwd en vertoont het symptomen waardoor er eerder aan een longontsteking wordt gedacht.

Andere verschijnselen zijn onderhuidse bloedingen of bloedingen van de slijmvliezen.

De meeste pups sterven binnen 24 tot 48 uur nadat de eerste symptomen zichtbaar waren.

Bij oudere pups duurt het wat langer voordat zij overlijden en zullen er meer pups sterven.

Naarmate de pups beter in staat zijn hun lichaamstemperatuur op pijl  te houden (boven de 38 graden) zal hun overlevingskans toenemen. Na de leeftijd van 5 weken gaan pups nog maar zelden dood aan een besmetting met het herpesvirus.

Aller eerst uiteraard door de symptomen goed waar te nemen kunnen we de juiste diagnose stellen.

Verder is alleen de diagnose vast te stellen tijdens sectie, maar dan is de pup uiteraard al overleden.

Er is helaas geen behandeling voor een besmette pup behalve het opvoeren van de lichaamstemperatuur middels warmtelampen of extra bijverwarming. Daarnaast moeten de pups met een sonde worden bijgevoerd en indien mogelijk kan het anti-biotica toegediend krijgen. Voor pups jonger dan 2 tot 3 weken is er echter weinig hoop.

Binnenkort komt er een vaccin tegen het herpesvirus op de markt.

Uit onderzoek is gebleken dat het merendeel van de volwassen honden boven de leeftijd van 3 jaar antistoffen tegen het virus heeft en dus met het herpesvirus in contact is geweest.  Wat echter niet bekend is, is f deze honden nog wel in staat zijn een andere hond te besmetten.

Het schijnt dus dat teven die ooit besmet zijn geweest en anti-stoffen hebben aangemaakt het minste risico lopen hun pups tijdens of vlak na de zwangerschap te besmetten.  Echter, teven die kort voor de zwangerschap of 3 tot 4 weken na de bevalling voor het eerst besmet raken kunnen hun pups besmetten met het herpesvirus.

De praktijk echter wijst uit dat de kans op besmetting van pups door het herpesvirus vrij klein is en dat deze kans nog kleiner wordt als we zorgen dat pups (v.a. 6 weken) zo snel mogelijk in contact komen met  andere honden, zodat zij ook contact krijgen met het herpesvirus en hier tegen anti-stoffen gaan aanmaken. De kans dat een eenmaal besmette drager later besmettelijk is voor hele jonge pups is dan bijzonder klein.

Honden die dus reeds besmet zijn geweest met het herpesvirus zijn antistoffen gaan maken. Honden die ingent zijn gaan ook antistoffen aanmaken. Honden met een positieve titerbepaling (die hebben dus antistoffen) zijn waarschijnlijk helemaal niet meer besmettelijk voor andere honden.

Honden met een negatieve titerbepaling zijn volledig vatbaar voor een besmetting.  Willen we met deze honden fokken dan is een enting geen overbodige luxe willen we voorkomen dat zij uitgerekend rond de dekking of tijdens de dracht besmet raken en deze besmetting overdragen op de pups.

 TERUG